Wanneer ben je gestopt met zo tegen jezelf praten?
- Chantal

- 13 jul
- 2 minuten om te lezen
Als in mijn huis wordt gezegd: "Ik kan dit niet," reageer ik steevast:
"Je kunt het nóg niet."
Mijn partner rolt soms met zijn ogen. Maar ik blijf het zeggen. Voor onze dochter. En tegen mijn coachees.
Want dat ene woordje verandert iets.
Van een conclusie naar een proces.
Van vastzitten naar bewegen.
Het gaat verrassend vanzelf om dat tegen een kleuter te zeggen.
Ik voel me als moeder verplicht haar te laten denken in leren, proberen en oefenen.
In plaats van falen, niet kunnen, opgeven.
En waar mijn dochter dat woordje nog begint over te nemen, zijn het de volwassenen die met hun ogen rollen. Categorie taalpurist.
Ik ben zelf ook niet heilig he.
Mijn eerste gedachten bij iets nieuws zijn heus ook wel eens:
"Waarom lukt dit niet?"
"Dit zou ik inmiddels toch moeten kunnen?"
Of ook zo´n mooie: "Dit is gewoon niet mijn ding."
Terwijl iets nieuws leren voor kind en volwassene precies hetzelfde is.
Alleen zijn we ergens onderweg minder vriendelijk tegen onszelf gaan praten.
Woorden zijn niet neutraal.
Ze sturen waar je aandacht naartoe gaat.
Hoe je een situatie interpreteert.
En uiteindelijk ook hoe je naar jezelf kijkt.

Daarom speelt taal in mijn coaching zo'n grote rol. Een ander woord verandert niet ineens je leven. Maar de woorden die je automatisch gebruikt laten vaak zien hoe je naar jezelf kijkt. En wat voor ruimte je jezelf geeft.
"Ik kan dit niet." Sluit af.
"Ik kan dit nog niet." Laat ruimte.
Ik weet zeker dat de bereidheid om iets nieuws te leren begint bij de manier waarop je tegen jezelf praat. We gunnen onszelf die taal op een bepaald volwassen moment alleen niet zo vaak meer.
Maar wanneer en waardoor komt toch dat omslagpunt?




Opmerkingen